Op een mooie maandag de fiets gepakt en via allerlei fraaie weggetjes door de Heerhugowaard en de Schermer richting Zaanstreek. Op zeker moment, zo rond een uur of twee, net voorbij West Graftdijk nabij het Alkmaardermeer even gestopt bij een rustieke stopplaats teneinde een ijsco te nuttigen. Er staat daar een blauwe ‘Snackcar’, een voormalige bestelbus, thans omgetoverd tot eenvoudig smulpaleis. Ook is er een summier terras en één en ander lijkt vooral ten faveure van de veelvuldig aan de kant afgemeerde watersporters en hun voornamelijk gemotoriseerde doch knusse scheepjes van diverse vormsels en afmetingen… Gezellig…

De strategische ligging van de rustplaats maakt het echter ook voor fietsers en andere weggebruikers mogelijk even te stoppen. De kennelijke uitbater van de bescheiden horecagelegenheid zat ietwat scheef, vormloos en onderuitgezakt op een wit plastic terrasstoeltje niet echt zonnig kijkend de baas uit te stralen. Hij was nogal corpulent, maar toch sportief gekleed in zo’n grijze ‘campingsmoking’ met neergelaten capuchon en de flinke voeten gestoken in hagelwitte sportschoenen, welke zo te zien, nog nimmer in díe actie hadden hoeven komen alwaar zij oorspronkelijk voor ontworpen leken. Ik schatte de man zo rond de 45 jaar. Zijn vrouw, een licht afgetobd type, stond in de wagen de frituur en koelkasten te bedienen, geassisteerd door, naar ik aanneem, een zoon van een jaar of veertien. Er was ook nog een wat jonger zusje, dat zich in de buurt van de man op het terrasje ophield. Terwijl ik mijn ijs bestelde, hoorde ik de man voortdurend aanwijzingen tot arbeid geven aan de jongen en het meisje, die redelijk braaf deden wat er gevraagd werd. Ik bespeurde iets meer weerstand bij het zusje dan bij de broer. Er was redelijk wat klandizie op dit moment, maar voor de man geen enkele aanleiding om een helpende hand te bieden.

Na het koude lekkers verorberd te hebben, wat mij nog altijd weinig tijd of moeite kost stapte ik weer op mijn rijwiel en keek nog even verlekkerd naar het reclamebord van de heuse Dobben croquetten met verse witte broodjes… De wat bedompte sfeer deed mijn twijfel over eventuele verdere consumptie echter snel teniet en tijdens het standvastig wegpeddelen realiseerde ik mij dat dit voornamelijk door de bazige dikkerd veroorzaakt werd.

Mijn fietstocht voerde mij nu langs de Zaan tot aan Zaandijk, waar ik onder andere even pauzeerde bij zwager Reinier, Lars en buurmeisje Bodil… Daarna een rondje Zaandam en via de Oostzijde weer ‘omhoog’ naar het noorden, daar de tijd niet stilstaat en nog een flink eind te gaan richting ’t Veld.

De terugreis voerde mij prompt weer langs het eerdere rustpunt met de blauwe bikbus, alleen was het nu vier uur later. De bolle uitbater bleek nog in exact dezelfde houding op zijn plastic meubeltje te zitten en wekte volstrekt niet de indruk zich inmiddels serieus verroerd te hebben, laat staan zijn sportpantoffels te hebben gebruikt. Waarschijnlijk was hij erg moe… De zoon was het terrasje al aan het ontmantelen, het meisje deed wat landerig en de vrouw nam mijn bestelling op. Ik had toch maar besloten tot het nuttigen van maar liefst twee broodjes Dobben…, die toch al wel geruime tijd mijn aandacht danig fixeerden. De aangekondigde versheid van de bolletjes viel helaas nogal tegen…, de Dobbers zelf daarentegen waren prima.

De ietwat morsige uitbuiter/uitbater deed ondertussen licht lelijk tegen het dochtertje. Kennelijk voldeed het wicht niet helemaal aan zijn wensen en eisen of speelde haar landerige reactie een rolletje… Ze wist echter precies hoever ze gaan kon en overspeelde haar handje net niet… Een nu al door de wol geverfd vrouwtje met veel intuïtie… Gelukkig maar.
Ik bespeurde een licht groeiende aversie bij mezelf tegen de luie, onverlichte potentaat en vroeg mij af waartoe deze mens nu eigenlijk diende. Ik geef toe: Geen verheffende gedachte mijnerzijds en niet getuigend van veel empathie of compassie…, maar het antwoord op mijn contemplatie kwam toch snel.

Een juist gearriveerde klant bestelde maar liefst voor zes personen patat en ook nog vier frikadellen. Ik dacht nog: ‘Tjonge, deze heer heeft trek…!’ Maar mijn abuis bleek even later toen de man al deze hartige versnaperingen ingepakt en wel mee nam naar vermoedelijk wat hongerige huisgenoten of vrienden. De ijverige vrouw achter de frituur noemde de te betalen prijs voor al dit krachtvoer en de bolle baas greep onmiddellijk in… Hier werd krachtig doch resoluut een rekenfoutje in een nanoseconde hersteld…

‘Kijk’, dacht ik… ‘Hij kán wel wat…!

Ernst